17.2 C
Brugge

Het Brugse Heksenjaar – 1634

Op zondag 4 september zal de Reuzenstoet zich weer op gang trekken in Brugge. De laatste keer dat de reuzegrote, handgemaakte figuren er boven de mensen uitstaken, was in 2005.

De terugkomst van de Reuzenstoet hebben de Bruggelingen te danken aan Cathelyne Verpoort. Calle Bezems, een nieuwe reuzin, is op haar gebaseerd en voor haar doop komen de indrukwekkende koppen nog eens terug. Verpoort stierf op een brandstapel op de Burg in het jaar 1634. De bezemverkoopster was in de ogen van haar buren een heks en werd gefolterd tot ze die fabel ook bekende.

De voorbije twee jaren hield corona de reuzen op stal, maar in het eerste weekend van september zullen ze de Brugse binnenstad mogen groeten. Ze vertrekken op ’t Zand waarna het richting de Markt gaat om uiteindelijk op de Burg te eindigen. Daar zal een Brugse priester Calle Bezems dopen en de naam Cathelyne Verpoort zuiveren.  

We graven even in de geschiedenis…

Als rechtstreeks gevolg van de verklaringen van Mayken Luucx “dat Calle die met bezems leurde ook een toveresse was”, en dat ze op de heksenvergaderingen tegenwoordig was, had men deze Calle opgespoord en aangehouden, Dit moet wel onmiddellijk gebeurd zijn, want daags nadat haar naam genoemd werd, vinden we haar al in het gevang.                                           .

17 juni 1634

Cathelijne, dochter van Wouter Verpoort en huisvrouw van Pieter Dhondt, gezeid Calle Bezems, geboren te Brugge, oud naar schatting 60 jaar, gezien ze het zelf niet wist.

Ondervraagd, zei Calle dat haar eigen kinderen haar in die situatie gebracht hadden, in die razerie (1).

’t Was omtrent een jaar geleden dat hare getrouwde kinderen, voornamelijk Clays Dhont, haar mans zone (2), voor haar deur geroepen hadden dat ze een toveresse was. Sedert die tijd bleef ze in deze hoedanigheid bekend bij de geburen en ver in bet rond; zodat ze, zoals ze zelf verklaarde, “geschuwd werd als de pest, niets kon verkopen en verging van armoe, zodat ze nu blij was in de har­den te zijn van de Heren”.

In die tijd woonde ze in het Bezemstraetkin; nu echter op St.-Gillis “jeghensover de pit” (3). Ze woonde er samen met haar man, hoewel elk voor zijn eigen potje zorgde; er was nijpende armoede. Eens toen haar man ziek was, had ze de kinderen niet binnen gelaten: reden waarom ze heks hadden geroepen. Ook Cathelijne Cloet, de vrouw van Jan Dhont de kalkdrager, riep haar dat telkens achterna. Ze kon in vrede niet meer langs de straat lopen. Ook een tegellegger van tegenaan “de Slotereye”, wiens vrouwe ziek was geweest, en zijn kinderen riepen haar altijd na (4).

Waarom was ze niet komen klagen bij de justitie? Ja, zuchtte ze, ik ben het zelf niet wijs; mijn man heeft het dikwijls genoeg gezegd.

Had ze het niet aangedurfd omdat het de waarheid was? God nee, riep ze verschrikt, nooit heb ik iemand kwaad gedaan.

Kende ze nog andere vrouwen die men dit nariep? Ja, daar was Maye Sobers, die ook op de Markt kwam en die ze reeds acht of negen jaar kende. Verder was er nog een vrouwe Jehanne, hoewel ze niet met zekerheid wist of ze haar nariepen.

19 juni

Mayken Luucx werd nog eens voor het voetlicht gebracht in de Kamer. Ze legde uit dat Grietken-zonder-Ziele ongetrouwd was en al lang overleden. Ze woonde tussen Lissewege en Dudzele.

Toen de Bozen zich voor het eerst vertoonde, waren ook daarbij Leen Fluyte en Babeken Eysterghem, beiden ook al overleden.

Waren er ook mans op de vergaderingen? Ja, ze had er Clays Aers gezien uit Lissewege: ook al overleden. De laatste maal dat ze ten dans ging, was wel twee jaar geleden; en ze had er toen Mayken Karrebrouck gezien. Calle Bezems was er toen niet. Calle hadden ze zelfs ooit in het water gesmeten.

Maar dat klopte ook niet met haar vorige verklaring, gedaan in de tortuur? Ze had toch gezegd dat Calle daar een drietal keren was? Jamaar, als men ten dans ging, kon men niet alles zien en weten, vermits elk moest handelen volgens zijn eigen contract met de Bozen.

Hoe stond het met de zoon van Maye Karrebrouck, die ook in het gevang was opgesloten? Die zoon noemde Jan; en zover ze hem kende, kon hem niets ten laste gelegd worden.

Kende ze in de omgeving nog andere toveressen? Neen, dat was niet het geval.

Simon Vander Straeten? Ze kende hem wel, maar wist over deze persoon niets te zeggen.

Deed ze veel poeder op de haring of het fruit waarmee ze personen betoverde, namelijk Christoffel Aerts, ’t kind van weduwe Jacques Everzwijn? Neen, veel hoefde er niet op te zijn.

Waarom had ze de overleden zoon van Karrebrouck betoverd?

Dat was omdat Maye haar had achterna gespuwd.

Waar was het dozeken waarin de Bozen haar dat poeder gaf?

Dat poeder stak in een papierken en dat had ze verbrand.

Had ze verder nog iets te verklaren? Neen, dat was alles. Alleen wilde ze de Heren er aan herinneren dat ze beloofd hadden haar schuld te betalen.

20 juni

Mayken Karrebrouck werd in de Collegekamer gebracht; en er werd haar gevraagd de waarheid te zeggen.

Voor alles verklaarde zij geen toveresse te zijn en ze verwees daarbij naar haar vorige verklaringen.

Er werd haar gewezen op het feit dat Maye Sobers haar toveren had bekend en dat ze dat ook maar moest doen. – Voor de zoveelste keer ontkende ze.

Er werd haar gevraagd hoe dikwijls ze met de Bozen ging dansen. Van deze zaken wist ze niets af.

Maar Maye Sobers had toch bekend dat ze daar samen waren?

Ze loochende andermaal; en zelfs dreigen met pijniging deed haar niet van gedacht veranderen.

Men gooide het over een andere boeg en ondervroeg haar over het knechtje dat ze opgekweekt had. Dat kind had ze toegewezen gekregen door griffier Baltijn, wiens kinderen ook bij haar gewoond hadden.

Het jongentje noemde Pieter en was “gherapt van de straete”. Het was impotent en had een dikke buik toen het bij haar kwam. Toen kon het nog gaan; maar het werd hoe langer hoe slechter, zodat het uiteindelijk noch gaan noch staan kon. Soms kreeg hij bezoek van pastoor Van Houtte. Het was trouwens deze pastoor die haar tweemaal gemaand had om naar de kerk te gaan.

Als randschrift stond naast dit verslag geschreven: “20 juny 1634 wiert gheresolveert te brenghen dit Mayken ter torture metten halzebant ende tevooren haer te confronteren met Mayken Sobers in loco torture”…”dese confrontatie en es nyet gheschiet mits ghehoort zynde Mayken Sobers deselve nyet schuldich ghevonden en es”.

Werd van deze confrontatie afgezien, aan de tortuur ontsnapte Mayken Karrebrouck niet. Dezelfde avond nog vond deze plaats en het waren de heren Vander Straete en Trystram met grif­fier Vande Woestyne die daarmee een aanvang maakten om 21 uur.

Voor er gepijnigd werd, vroeg men haar te bekennen, wat ze weigerde. Gebonden wordende, zei ze geen toveresse te zijn.

Om 22 uur “was ze zeere roupende”. De halsband aangedaan, riep ze nog luider onschuldig te zijn.

Te 22 ½ uur gaf men haar wat wijwater en dankbaar zei ze:

“God loont”. Toen er echter op de koorden geslagen werd, schreeuwde ze het uit. Een kwartier later zei ze het kind van Maerten Verbeke niets misdaan te hebben en ze ontkende ooit ten dans te zijn geweest of ooit iemand misdaan te hebben.

Om 23 uur kwamen de schepenen Bertholf en De Lay hun collega’s aflossen, terwijl griffier Spronckholf de pen opnam. Het scenario verliep voorlopig op dezelfde wijze. Ze hield vol geen to­veresse te zijn en niemand te hebben misdaan. Ze smeekte om genade: ze zei de waarheid en kon niet anders zeggen.

Om 23 uur loochende ze nog steeds, roepende om erbarmen en om te worden losgelaten; dat ze boven dat lijden de dood verkoos.

Een kwartier later bekende ze dat ze Philip de Valckenaere betoverd had; het kind Pieter Verbeke was echter uit de zetel gevallen. Maye Sobers had haar de kunst van het toveren geleerd.

Onmiddellijk daarop herriep ze dit en verklaarde dat ze dat niet ge­leerd had en niet te weten of Maye Sobers een toveresse was, maar dat vele personen dat van haar zeiden. Het kind van Maerten Verbe­ke viel uit zijn stoel.

Even later echter bleek het Magdalene te zijn geweest die haar de toverkunst had bijgebracht. Ze was getekend in haar rechterzijde “met een hand met vier vingers”. Haar vriend die zo rommelde bij Magdalena had ze gezien. Hij was zwart en zeer lelijk en zoals een mens. Hij vroeg of ze met hem wilde gaan. Hij had haar buiten op het veld geleid waar ze dansten en sprongen.

Het speet haar dat ze met hem was meegegaan en met hem omging. Daar waren mannen en vrouwen en ze had er ook Maye Sobers gezien en nog ene genaamd “Maye-met-de-Lappen” en gaande om godswille(5).

Ze woonde nabij de Meers in de “Calckdraegershuusekins” en ze had een oud man die zijn brood bedelde. Verder was er Calle Bezems. Ze dansten daar en vlogen allemaal weg terwijl zij en haar vriend achterbleven. Hij nam haar dan eveneens op en vloog met haar naar huis.

Hij had haar geld beloofd en zij van haar kant beloofde hem van kwaad te doen waar ze kon, want ze had niet overal de macht daartoe. Hij hield haar voor dat ze God moest verlaten en Maria; en dat ze dan goede dagen zou kennen. Dit had ze dan maar gedaan en ze zou het verder gedaan hebben zo ze geen man had.

De Bozen had haar een merkteken gegeven omdat ze uitstel verzocht voor drie, vier jaar. Op haar linkerbil had hij haar een slag gegeven, niet wetende of dat een “lyckteecken” vormde, vermits hij kort voor haar arrestatie nog gezegd had dat hij haar nog meer zou tekenen, daar haar tijd van uitstel om was ofwel dat ze nog veel meer kwaad moest doen.

Wat kwaad ze zo al gedaan had?

Ze had kwaad gedaan aan dat dochtertje van de school op het kerkhof waar ze gegaan was om twee haantjes te halen. Haar lief was toen bij haar en beval dat ze het kind een hurt zo geven. Ze had hem nooit anders genoemd dan “mijn lief”. Hij had haar daar beloofd haar met raad en daad bij te staan. Ze had nochtans van hem menige keer slaag gekregen omdat ze niet meer kwaad wilde doen.

Ze had kwaad gedaan door het poeder waarvan het kind van de vrouw ziek werd en stierf. Ze kreeg het poeder van de Bozen om kwaad te doen en ze bewaarde het thuis op een glazenbord. Toen ze gearresteerd werd, zat ze juist zonder en was er verwachtende. Ook had ze kwaad gedaan aan Isabeau, de vrouw van Bernaert, de bode van Douai, dat was één van haar eerste slachtoffers geweest en ze kreeg kwade handen en voeten, waarvan ze gestorven is.

Ook Philip De Valckenaere had ze ziek gemaakt met poeder dat ze in zijn drinken deed, zodat hij voortdurend ziek was. Ze woonde toen in “De Draecke” (6). Hij was nog ziek toen ze gevangen werd genomen en daardoor kende ze de afloop niet.

Veel meer kwaad had ze niet gedaan, gezien ze maar onlangs van “de conste” was, pas nadat ze Magdaleene had verzorgd.

Het kind van Maerten Verbeke had ze niets misdaan, maar het was uit zijn stoel gevallen. Ze zou het heus wel bekennen ware het anders, daar ze nu toch al genoeg bekend had om de dood te verdienen.

Haar eigen zoon had ze niet betoverd hoewel ze meende dat er toverij in het spel was en veel mensen zeiden dat het kwam door de werken van Maye Sobers. Trouwens, de schipper uit de Meers had ze ook op haar geweten.

Onlangs nog, voor haar gevangenneming, had ze een dochtertje in de schole betoverd. Ze vernieuwde telkens weer de toverij en deed het dochtertje iedere keer weer pijn door het poeder, dat haar lief haar toewierp over de muur en zonder dat de hand eraan te pas kwam.

Dat ze de kinderen van de bakker uit de Ysertraille betoverd had, was niet waar. In opdracht van de bakkerin was ze met hen naar de Capucienen gegaan om hen te laten belezen. Ze was toen nog niet ingewijd in de kunst: dat kon men nagaan aan de sterfda­tum van Magdaleene.

Het dochtertje van Joos de Lue had ze ook niet misdaan. Ze kende haar goed en ze wist dat het kind waterzuchtig was. Ze kwam geregeld melk bij haar halen.

Ook had ze de vrouw van de kapitein Van Damme niet betoverd.

Ze had er ook de roomkaas gedragen uit vriendschap en ze had haar willen helpen in de arbeid van het kinderbedde met dat franchijn waarvan ze wist dat Betkin Vande Voorde zulks in haar bezit had.

Ze gaf toe gekeven te hebben met de vrouw van Cornelis De Pepere omdat ze het huis had willen onderhuren. Deze vrouw stond bekend als een kwade. Dat ze het kind iets misdaan had, was leugen.

Ook Denys Maernyncxhove had ze niets misdaan en ze was enkel bij hem aan huis geweest om de doodkist af te betalen.

Wat de draden, het pluimken en het beeld van Ons Here zonder armen betrof, dat was zoals ze vroeger al gezegd had. Het beeld had ze gevonden in de “vuulmande” van Aernoud De Valckenaere ten tijde van “het overcommen van Oostende”.

Ze ontkende iets gedaan te hebben aan de dochter van Francois Humbeloot: ze kende die dochter niet.

Eens had ze van haar lief wat geld gekregen in zilveren munte; en dat had ze uitgegeven voor echt geld. ’t Was echter een kleinigheidje geweest.

Slechts eenmaal was ze ten dans geweest op een veld. Even later was dit aantal opgelopen tot driemaal en daarna tot een niet te bepalen aantal keren. Ze had daar nog andere vrouwe gezien, doch kende ze niet, uitzondering gemaakt voor dezen die ze vroe­ger genoemd had.

Haar lief kwam haar soms aan huis afhalen en vloog dan met

haar door de schouw naar de plaats van afspraak. Daar deden ze niets anders dan praten, lachen en dansen ondereen. Ze spraken ook over het kwaad dat ze zouden doen. Enkelen waren er die zongen.

Haar lief was er in de gedaante van een zwarte man; niet in deze van een hond of van een geitebok. De geliefden van de anderen had ze niet gezien.

Ze ontkende dat ze, eniger manier dan ook, eer zou hebben bewezen. Integendeel werd ze dikwijls door hem geslagen omdat ze niet altijd wilde doen wat hij begeerde, namelijk nog meer kwaad doen. Ze stelde zich daartegen te weer met gewijd zout en wijwater. Over de kwellingen die ze de anderen had aangedaan, voelde ze heel veel spijt.

In het begin had de Boze wel zes of zeven maal gevraagd haar lichaam te mogen gebruiken, iets wat ze hem steeds geweigerd had; uitzondering gemaakt voor de drie of vier keren dat ze wel met hem geconverseerd had. Met zekerheid zeggen hoeveel keer dat gebeurd was, kon ze ook niet. Deze betrekkingen waren zoals  tussen mensen, doch zeer koud. Ze hadden telkens plaats gevonden na het dansen.

Haar lief had haar nu verlaten en had haar niet eens opgezocht, noch in de Kamer tijdens de tortuur, noch in het gevang.

Van die vledermuis die in de pijnkelder zou rondgefladderd hebben tijdens de vorige tortuur, wist ze niets af. Ook in de konfrontatie met Maye Sobers, had ze hem niet gezien; daartoe had zij geen macht.

Simon Verstraete kende ze niet anders dan op de manier die ze vroeger had gezegd, namelijk dat hij haar gevraagd had of haar kind betoverd was en dat hij daaraan zou verhelpen met hetgene hij haar gaf.

Had ze de toverkunst aan iemand anders geleerd? Neen!

Had ze haar lief ooit getoond aan haar zoon? Ook dat niet; haar zoon was onnozel en nergens van op de hoogte. Ze beschuldigden hem ten onrechte.

Verschillende malen herhaalde ze dat dit alles was wat ze zeggen kon. Indien ze meer kwaad gedaan had, zou ze dat wel gezegd hebben, het ene zoals het andere, maar meer wist ze niet.

Was er dan werkelijk niets meer? Indien ze nog meer kwaad had gedaan en dat niet opbiechtte, moest ze toch begrijpen dat het anderen kon ten laste gelegd worden, hoewel ten onrechte.

Neen echt, er was niets meer!

Intussen was het kwart voor drie geworden in de nacht en werd ze ontslagen uit de tortuur. Van 24 uur tot 1 uur waren present geweest Bertholf en De Lay met als griffier Spronckholf. Van 1 tot 3 uur Faignaert en Meyer met pensionnaris Lucx.

22 juni

Mayken Karrebrouck verscheen in de Kamer om haar afgelegde verklaringen te ratificeren. Tevens werden enkele aanvullende vragen gesteld.

Had ze in de vergaderingen geen mannevolk gezien? Neen, dat was niet geval; daar was enkel de zwarte man, die haar lief was. Van de andere vrouwen had ze er geen herkend; en Maye Sobers en Maye-met-de-Lappen had ze al evenmin gezien.

Philip de Valckenaere had ze niets misdaan.

Had ze ooit ruzie gehad met Isabeau, de vrouw van de bode van Douai en had ze poeder in de melk gedaan? Ruzie was er niet geweest. Isabeau was een goed mens en van poeder in de melk was er geen sprake.

Had Magdaleene haar de kunst van het toveren geleerd? Magdaleene had haar niets geleerd en had al evenmin verklapt waar ze haar toverkunst had opgestreken.                                                                 ‘

Waar de Bozen voor het eerst bij haar gekomen was, kon ze zich ook al niet meer herinneren, doordat hij zo dikwijls kwam en haar vele dingen wilde laten doen, die ze niet wilde volbrengen.

Waarover werd zoal gesproken in de vergaderingen? Daar werd helemaal niet gesproken en zij was er in elk geval steeds zeer “drouve”. Die vergaderingen duurden niet erg lang en ze had er vier onbekende vrouwen gezien.

Waar was de rest van dat poeder, op het ogenblik van haar arrestatie? Ze had toch al gezegd dat ze op dat moment zonder zat. Ze had twee of driemaal poeder gekregen en gebruikte er niet veel van. Ze had het gebezigd bij Philip de Valckenaere en bij Isabeau en Juffrouw Padieu.

Nogmaals zei ze niet veel misdaan te hebben en ze bad om vergiffenis. Wie ze het meest misdaan had kon ze niet zeggen. Ze had de lieden wel gekweld maar niet gedood.

Op die zelfde DONDERDAG 22 JUNI 1634 werd uitspraak ge­daan in beide zaken Luucx e. Karrebrouck.

MAYKEN KARREBROUCK en MAYKEN LUUCX gezeid SOBERS, werden beiden veroordeeld om op de Burg van Brugge “gewoelt” (7) te worden aan een stake en daarna “Verbrant te worden totten pulver”.

De volgende dag ontvingen beiden in de gevangenis het bezoek van de afgevaardigde schepenen die haar vroegen of ze nog iets te verklaren hadden aan het College, gebeurlijk over feiten die ten onrechte anderen konden ten laste gelegd worden en zonder dat zulks nog weerslag kon hebben op bun vonnis.

De beide Maykens gaven te kennen dat alles gezegd was.

Daaronder staat nog enkel geschreven: 

“eodem die execu0 facta est”, dezelfde dag is het vonnis voltrokken! 

Op 11 juli werd Loys Nollet aangesteld als curator van het sterfhuis van Mayken Karrebrouck en werd hem de sleutel van het sterfhuis overhandigd.

Voor de zaak van Mayken Luucx was op 30 juni reeds aan Loys Nollet het geld ter hand gesteld dat Mayken op zak bad bij haar arrestatie, nl. zeven patakons en drie stukken van schellingen. Tevens werd hij belast met het uitbetalen van 14 stuivers aan Loys Vande Walle in de Meers; dit volgens de laatste wil van Mayken, kenbaar gemaakt aan haar biechtvader.

Voetnoten

  1. Razerie: razerij, krankzinnige toestand, volkse woede; ongekontroleerde wanordelijke toestanden.
  2. Dus een zoon uit een eerste huwelijk van haar man
  3. Op St.-Gillis kon ergens nog wel een put gelegen hebben. Niets daarover gevonden.
  4. Werd daarmee bedoeld de reie aan de Sloterbrugge, de Sleutelbrugge?
  5. Om godswille gaan: bedelen.
  6. De Draecke: een huis in de Eeckhoutstraat.
  7. Gewoelt: t.t.z. gewurgd en daarna verbrand tot er alleen as overbleef.

Bron

  • Karrebrouck: Rab Asb reg 624 f° 9 v°-42 v°
  • Luucx          : Rab Asb reg 624 f°26 36 v°

Ben je al mee met dit?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Ook dit moet je lezen